Beter onderzoek naar vrijwillige inzet van mensen met een migratieachtergrond (interview)

734 keer bekeken

Onderzoekers Nina Conkova en Marlou Ramaekers geven hun reactie op de ondervertegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in onderzoeksprojecten. Naar aanleiding van het scriptieonderzoek van Tess ten Heggeler. 

Er wordt in Nederland behoorlijk veel onderzoek gedaan naar vrijwillige inzet. Toch is het beeld dat hieruit ontstaat, niet volledig. Mensen met een migratieachtergrond zijn stelselmatig ondervertegenwoordigd. Extra geld voor meer inclusief onderzoek zou helpen. Maar dat moet je dan wel slim inzetten, zeggen onderzoekers Nina Conkova en Marlou Ramaekers.

Nina Conkova van de Leyden Academy on Vitality and Ageing heeft in verschillende onderzoeksprojecten te maken met mensen met een migratieachtergrond. Zoals vrouwen met een Arabische achtergrond in Utrecht, met wie ze samen op zoek ging naar een geschikte interventie tegen eenzaamheid. ‘Ik heb in het verleden veel kwantitatief onderzoek gedaan, maar richt me de laatste tijd steeds meer op kwalitatief onderzoek. Dat komt door het ontbreken van goede kwantitatieve data en de behoefte aan een inclusievere, kwalitatieve benadering binnen mijn werk met ouderen met een migratieachtergrond.’

Te weinig gegevens

Marlou Ramaekers werkt aan de Vrije Universiteit in Amsterdam bij het Centrum voor Filantropische Studies. ‘Binnen dit onderzoekscentrum richt ik me op het grootschalige onderzoek Geven in Nederland.’ Elke twee jaar publiceert het centrum de recente cijfers over geven aan goede doelen, nalatenschap, deelname aan loterijen en vrijwillige inzet. Maar bij het onderdeel vrijwillige inzet plaatsen de onderzoekers de kanttekening dat ze over te weinig gegevens van mensen met een migratieachtergrond beschikken, dus dat ze daar geen uitspraken over kunnen doen. ‘Daar zijn we hier bij het centrum niet blij mee’, zegt Ramaekers. ‘We zouden graag een beter beeld kunnen schetsen, omdat het een aanzienlijke groep is: ruim een kwart van de inwoners van Nederland.’

Wantrouwen

Conkova en Ramaekers geven een inkijkje in hoe lastig het is om met grootschalig kwantitatief onderzoek de mensen met een migratieachtergrond evenredig in beeld te krijgen. Ramaekers: ‘Zij doen minder graag mee met enquêtes. Dat kan te maken met het wantrouwen dat ze hebben in instanties. Bovendien zijn zij in vergelijking met de totale bevolking gemiddeld genomen vaker praktisch geschoold, en dat is een groep die over de hele linie minder vaak meedoet aan onderzoeken.’

Actief benaderen

Om meer te weten te komen over het geefgedrag van mensen met een migratieachtergrond, werken Ramaekers en haar collega’s samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ‘Het CBS voert elk jaar de enquête Sociale samenhang en welzijn uit en daarin zit een aantal vragen die relevant zijn voor ons, waaronder over vrijwillige inzet. Bij het CBS kunnen ze het bereiken van respondenten op een uitgebreidere manier aanvliegen dan het onderzoeksbureau dat onze eigen vragenlijst uitzet: het CBS houdt tijdens de periode van dataverzameling in de gaten of verschillende groepen naar rato vertegenwoordigd zijn. Groepen die achterblijven, benaderen ze vervolgens extra actief. Op die manier doen er voldoende mensen met een migratieachtergrond mee. De kosten van het gebruiken van de CBS-data zijn aanzienlijk, en daarom kunnen we de data over vrijwillige inzet op dit moment niet gebruiken. Dus over vrijwillige inzet kunnen we vooralsnog geen uitspraken doen waarvan we zeker weten dat die ook gelden voor mensen met een migratieachtergrond.’

Taal is struikelblok

In al haar onderzoeken merkt Nina Conkova, net als Tess ten Heggeler in haar onderzoek naar vrijwillige inzet door ouderen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond, dat taal een groot struikelblok is bij onderzoek. ‘Mensen die in hun eigen taal geïnterviewd worden, geven een minder modern beeld van zichzelf dan wat ze laten zien als ze in het Nederlands worden bevraagd. Dat kan een selectiebias zijn, maar het kan ook uit angst komen voor roddel in de gemeenschap. In kwalitatief onderzoek vertellen ouderen met een migratieachtergrond vanuit wat traditioneler gemeenschappen ook minder makkelijk dat het niet goed gaat, ze willen dan kennelijk sterker het beeld hoog houden. Er heerst vaak een taboe binnen de eigen gemeenschap.’ Sleutelfiguren zijn onmisbaar in onderzoek naar mensen met een migratieachtergrond, maar zij kunnen ook voor bias zorgen, weet Conkova: ‘Omdat deze tussenpersonen een specifieke groep mensen bereikt en niet een afspiegeling van de gemeenschap.’

Combinatie noodzakelijk

Volgens beide onderzoekers is de combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek noodzakelijk voor een zo compleet mogelijk beeld. Conkova: ‘Kwalitatief onderzoek is vaker inclusief, exploratief en helpt met duiden van kwantitatieve resultaten. Maar met kwalitatief onderzoek komen we vaak in contact met mensen in kwetsbare situaties, waardoor het beeld van “kwetsbare migranten” onbedoeld kan worden gereproduceerd. Terwijl het met ten minste de helft van de mensen met een migratieachtergrond gewoon goed gaat. Het beeld moet en kan bijgesteld worden met kwantitatief onderzoek, dat de hele groep beter representeert. Daarom is de combinatie een must. Voor beleidsmakers is dat heel belangrijk. Je wilt geen beleid maken op basis van onderzoeksresultaten die specifiek gaan over een deel van de groep, want dan sluit je het andere deel uit.’

Scherper beeld

Tegelijkertijd kan kwalitatief en inclusief onderzoek juist een scherper beeld vormen van het echte leven en de vrijwillige inzet van mensen. Daarbij zijn gelijkwaardigheid, zorgvuldigheid en oprecht goed kunnen luisteren belangrijke voorwaarden, zoals blijkt uit wat Conkova vertelt over haar project met Filipijnse vrouwen. ‘Tegen het einde van een project evalueer ik samen met de deelnemers. Daarbij leg ik de resultaten voor aan de deelnemers, met de vraag of zij zich erin herkennen. We hadden deze vrouwen gevraagd wat de belangrijkste verandering was die het meedoen aan het project hen had opgeleverd. In het onderzoek hadden we geteld dat ‘informatie verkrijgen over thema’s rond participatie en ouder worden’ het vaakst werd genoemd. Maar tijdens de bijeenkomst waarin we de resultaten bespraken, bleek dat zij ‘gemeenschapsvorming’ nog belangrijker vonden. Op deze manier kon ik de onderzoeksresultaten dus nog aanscherpen en valideren.

Neus op de feiten

Ramaekers, die zelf enkel aan grootschalige onderzoeken werkt, zou graag ook ruimte willen hebben voor kwalitatief onderzoek. ‘Elke keer als we de resultaten van het onderzoek Geven in Nederland presenteren, worden we met de neus op de feiten gedrukt van wat er mist, zoals dat we niets kunnen zeggen over vrijwillige inzet door mensen met een migratieachtergrond. Daarom is het onderzoek van Tess zo waardevol. We willen de ervaringen die zij heeft opgetekend graag verwerken in ons volgende rapport.’

Extra geld effectief inzetten

Voor de benodigde combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek is meer en structurelere financiering nodig. De beide onderzoekers zien diverse mogelijkheden om extra gelden zo effectief mogelijk in te zetten. Ramaekers noemt slim samenwerken als interessante optie: ‘We hebben bijvoorbeeld contact met het Nationaal Zakat Fonds. Zij doen uitgebreid onderzoek naar giften in de moslimgemeenschap. Als er ruimte ontstaat om uitgebreider met hen samen te werken, dan kunnen we ervoor zorgen dat onze eigen vragenlijst, en bijvoorbeeld ook die van het CBS, beter aansluit bij de moslimgemeenschap. Dat zou kunnen door in overleg met hen specifieke termen toe te voegen, zoals zakat. En termen waar we nu nog niet aan denken, maar die dankzij de samenwerking op zullen poppen.’ Op deze manier kan ook het vertrouwen van mensen met een migratieachtergrond toenemen, en dat kan weer resulteren in actievere deelname aan onderzoeken.

Optimistisch

Conkova noemt ook de vragenlijsten van CBS en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) die oudere migranten bereiken, en dat daarin extra thema’s opgenomen kunnen worden. ‘Zoals “kwaliteit van leven” bijvoorbeeld, of “eenzaamheid”.’ Ze beseft ook dat deze partijen niet oneindig kunnen aanvullen en bepleit dan ook afstemming onder onderzoekers. En ze sluit het gesprek optimistisch af: ‘Als community van onderzoekers weten we al best goed wat we écht nog niet weten. Een aantal thema’s leeft onder oudere migranten. Persoonlijk zou ik eenzaamheid willen voordragen. Hierover zou bijvoorbeeld SCP data kunnen verzamelen.’

    Afbeeldingen

    Bekijk ook

    Advies en ondersteuning logo

    Aidadreef 8
    (2e verdieping)
    3561 GE Utrecht

    030 230 7195
    algemeen@vrijwilligerswerk.nl

    KvK 30126706
    NL 16 RABO 036 927 3141
    BTW NL 804161197B02

    Cookie-instellingen