SCP-onderzoeker Henrike Hoogenraad: ‘Het dagelijks leven is rommeliger dan geschetst in beleidstukken’
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft een driedelig onderzoek gedaan naar participatiebevorderend beleid, waarvan het derde deel over ouderen gaat. Onderzoeker Henrike Hoogenraad is opgeleid als antropoloog en dat nam ze mee in de etnografische onderzoeksmethode van Perspectieven op ‘zinvolle’ participatie deel 3: ouderen en participatie: ‘Het SCP doet veelal kwantitatief onderzoek, maar ik wilde in het echte leven kijken wat daar gebeurt. Ik mocht aansluiten bij twee groepen ouderen die onder de paraplu van Samen Ouder Worden wekelijks bij elkaar komen. Eentje in een buurthuis in de stad. Acht weken deed ik mee met hun beweegles, lunchte ik met ze en ging ik mee met uitstapjes. De andere groep was in een dorp en daar heb ik drie keer meegedaan met de koffieochtend.’ Met een deel van de groepsleden hield ze diepte-interviews en ook deed ze groepsgesprekken.
Groepsdynamiek
Het frequente meedoen resulteert in heel open en eerlijk contact, vertelt Hoogenraad. ‘Ik mocht meedoen met babbelen, het delen van zorgen en klagen over de kinderen. Je ziet echt de groepsdynamiek.’ Een bijzonder inzicht dat ze opdeed was dat het in beleidsdocumenten veronderstelde verschil tussen de derde en vierde levensfase niet zo strikt is. ‘Ik wist dat eigenlijk al wel, maar in de groep werd extra duidelijk dat een en dezelfde persoon tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk kan zijn. Zo was er een mevrouw met gezondheidsproblemen die veel hulp kreeg van haar dochter. Maar zelf zorgde ze ook voor haar eigen moeder. En in de groep had ze hulp nodig, maar hielp ze de rest ook omdat ze communicatief heel sterk was.’
Bondgenootschap
Naast het etnografische deel bestond het onderzoek uit een literatuurstudie en een discoursanalyse. Hoogenraads collega Lonneke van Kampen bestudeerde de beleidsprogramma’s Langer Thuis en WOZO. Deze beide programma’s gaan over langer thuis wonen, langer zelfstandig blijven, en meedoen aan de samenleving. De analyse richtte zich op aannames en impliciete ideologieën in beide programma’s. De beleidsdocumenten ademen een sfeer van bondgenootschap, licht de onderzoeker toe. ‘We noemen dat mimetische politiek: dat de beleidsdoelen vanzelfsprekend voort zouden vloeien uit de wensen van ouderen, bijvoorbeeld de wens om langer thuis te wonen. En dat klopt voor een deel ook wel, maar alleen als de zorg dan ook goed geregeld is. Dus de overheid moet wel meedoen en zorgen dat aan belangrijke voorwaarden wordt voldaan.’
Levensloop
Uit het onderzoek blijkt een belangrijk verschil tussen de maakbaarheidsgedachte van het beleid en de realiteit in het dagelijks leven van mensen. Dat heeft met de levensloop te maken en hoe die de mogelijkheden en wensen van ouderen sterk beïnvloedt. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met genderverschillen, legt Hoogenraad uit: ‘Veel mannen hebben hun hele leven buiten de deur gewerkt en hebben niet zoveel contacten in de buurt. En hoewel steeds meer vrouwen ook betaald werk doen, regelen zij toch vooral de sociale contacten, ook die in de buurt.’
Ingrijpender invloed
Maar de levensloop kan ook op een andere ingrijpende manier invloed op de oude dag hebben, bijvoorbeeld bij ouderen met een migratieachtergrond. Bij hen is vaak sprake van structurele ongelijkheden, zoals dat ze geen volledige AOW ontvangen, of dat ze met racisme en uitsluiting te maken hebben, duidt de onderzoeker: ‘Het is een mengeling van ongelijkheden, normen en beleid die maakt dat sommige ouderen in een positie zitten waardoor ze niet actief mee kunnen en willen doen.’ De beleidsimplicatie die hier volgens de onderzoekers uit volgt is dan ook om bij het maken van beleid goed na te denken over de gevolgen voor de latere levensfasen.
Utilitair contact
De maakbaarheidsgedachte van het beleid raakt ook nog aan iets anders, en dat is dat het beleid vaak vanuit een instrumentele gedachte ontwikkeld lijkt te worden. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk bij het begrip contact, merkte Hoogenraad: ‘Voor mensen zijn fijne contacten op zichzelf waardevol. Ze dragen bij aan het welzijn. Maar beleid ziet contact vooral utilitair, als een middel tót, zoals onderling hulp verlenen. Als je als beleidsmaker dichter bij het echte leven wilt komen, zou je die waarde van welzijn op zichzelf als doel kunnen bestempelen. Zoals Samen Ouder Worden dat doet. En als er dan bijvangst komt in de vorm van meer onderlinge hulp, dan is dat mooi meegenomen.’
Onderzoeker Henrike Hoogenraad: ‘Mensen willen best langer thuis wonen, maar dan moet de zorg wel goed geregeld zijn.’
Eervol persoon
Bij de onderlinge hulp speelt bovendien nog iets anders, bleek ook uit dit onderzoek: ‘Ten eerste vertelden de mensen in de diepte-interviews dat ze het heel vanzelfsprekend vinden om hulp te vragen aan hun naasten, maar bij mensen die iets verder weg staan, doen ze dat liever niet.’ Een aangrijpingspunt voor beleid zou dan kunnen zijn om in te zetten op het verdiepen van de contacten. Zeker omdat de groepen zoals Hoogenraad die bezocht, zich heel goed lenen voor gesprekken over gevoelige onderwerpen: ‘Als iemand vertelt over de eigen eenzaamheid, dan blijkt dat vruchtbaar voor de emotionele verbintenis.’ Toch leidt dit volgens de onderzoeker niet per se tot meer onderlinge hulp. En dan komen we bij het tweede, namelijk de rol van machtsverhoudingen: ‘Mensen willen een eervol persoon blijven. Ik wil zelf ook niet te vaak een beroep doen op mijn buurvrouw om de kinderen op te vangen. Want ik wil het gezellig houden, ik wil gewoon een wijntje met haar kunnen drinken.’
Discours sturen
Hoewel Hoogenraad blij is dat ze zelf niet op de stoel van de beleidsmakers zit, heeft ze wel ideeën over hoe de verschillen tussen het beleid en het echte leven kleiner kunnen worden. Dat begint met meer bewustzijn over de fluïditeit tussen de derde en vierde fase en daarmee dat afhankelijkheid en onafhankelijkheid hand in hand kunnen gaan. En over hoe bepalend de levensloop is voor de ervaringen en de voorbereiding op het ouder worden. ‘De overheid kan dat discours zelf sturen’, sluit ze af: ‘Net als in 2013, toen het begrip participatiesamenleving werd geïntroduceerd. Dat is gelukt, dat is gemeengoed geworden. De overheid zou nu bijvoorbeeld het discours anders kunnen sturen, net wat weg van individualisme. Dat zien we al wel terug in het idee van samenredzaamheid. Maar zoals gezegd: dit onderzoek laat zien dat de overheid daar zelf ook een belangrijke rol in te spelen heeft.’