Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) publiceerde eind 2025 het onderzoek Doe je mee?! Het rapport beantwoordt de vraag hoe participatiebevorderend overheidsbeleid zich verhoudt tot wat ouderen zelf als zinvolle participatie ervaren. SCP-onderzoeker Henrike Hoogenraad bespreekt de bevindingen met Petra van Loon, programmamanager van Samen Ouder Worden.
In beleidsstukken wordt vaak onderscheid gemaakt tussen de derde en de vierde fase: een periode van actief burgerschap in doorgaans goede gezondheid en een latere periode met meer kwetsbaarheid en zorgbehoefte. Onderzoeker Henrike Hoogenraad kwam dit onderscheid niet op die manier tegen bij de ouderen met wie ze optrok voor dit onderzoek: ‘Ik ontmoette een vrouw die in het hokje van de derde levensfase leek te passen. Maar deze mevrouw was pas sinds kort terug bij de groep, omdat ze vanwege ziekte twee jaar niet mee had kunnen doen. In beleidstermen zou ze vanuit de vierde fase teruggekeerd zijn naar de derde fase.’
Henrike Hoogenraad
Het onderzoek - Doe je mee?! Perspectieven op ‘zinvolle’ participatie
Het onderzoek waarover dit artikel gaat is onderdeel van de driedelige SCP-reeks Doe je mee?! Perspectieven op ‘zinvolle’ participatie. Naast het onderzoek over participatiebeleid gericht op ouderen gaan de andere twee onderzoeken over arbeidsparticipatie van mensen met jonge kinderen en kinderopvang, en jongeren en Maatschappelijke Diensttijd (MDT). De hoofdvraag is steeds wat de overheid verwacht van burgers bij het bevorderen van participatie, en wat de mensen om wie het gaat daarvan vinden.
Voor het onderzoek over ouderenparticipatie analyseerde Lonneke van Kampen twee beleidsstukken: WOZO (Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen) en zijn voorloper Langer Thuis. Uit deze beleidsprogramma’s vloeide het uitvoeringsprogramma Samen Ouder Worden voort. Onderzoeker Henrike Hoogenraad sloot zich aan bij twee groepen binnen Samen Ouder Worden. Deze groepen ondernemen gezamenlijk activiteiten, van koffiedrinken tot meerdaagse uitstapjes. Zo kregen de onderzoekers zicht op overeenkomstige en uiteenlopende beelden in het beleidsdenken en bij de ouderen zelf.
Existentiële kwetsbaarheid
Tegelijkertijd begrijpt Hoogenraad wel dat in beleid verschillende fasen benoemd worden. ‘Maar’, zegt er direct bij: ‘Het risico dat hieraan kleeft is dat iemand in de vierde levensfase dan vooral als een probleem en functieloos wordt gezien. Als je het opschrijft, dan wordt het zo hard en statisch. Ouder worden gaat om fluffy concepten, om gevoel en emotie. Het gaat over existentiële kwetsbaarheid. Daarvoor is ruimte nodig, ook al is het lastig te vatten in beleidstaal.’
Herconceptualisatie van ouder worden
Petra van Loon van Samen Ouder Worden is het hier zeer mee eens: ‘De overheid en beleidsmakers benaderen ouderen te vaak eendimensionaal. Daarmee doen ze hen tekort en dat bevordert stereotype beelden. Mensen zijn meer dan een individu dat hulp geeft of hulp nodig heeft.’ Volgens Van Loon is er een herconceptualisatie van ouder worden nodig. Een concept dat aansluit bij de realiteit dat er nu eenmaal een punt komt waarop we minder kunnen. ‘Dat is niet erg, je bent geen loser als je minder mobiel wordt of incontinentieproblemen krijgt. Dat we dit soort natuurlijke dingen zoveel mogelijk voor ons uit schuiven, zegt vooral iets over hoe we er als samenleving naar kijken. Laten we daarom vaststellen dat het niet erg is om oud te zijn. En laten we vervolgens kijken wat of wie iemand dan wil zijn, inclusief de wederkerigheid die daar bij kan horen.’
Petra van Loon
Normalisering van onderlinge hulp
Bij deze erkenning dat oud zijn niet erg is, hoort ook de normalisering van onderling hulp vragen. Daarbij is het volgens Van Loon wel belangrijk om te beseffen dat ‘hulp’ een rijk begrip is. Naast praktische hulp zoals meegaan naar een arts of een pan soep bij ziekte is ook sociaalemotionele steun en eerlijkheid belangrijk en waardevol. Hoogenraad heeft hier een mooi voorbeeld van: ‘Er was een vrouw bij een van de Samen Ouder Worden groepen die geen auto had en bij slecht weer afhankelijk was van de anderen. Die wilden haar graag brengen en halen, maar dat moest ze dan wel vragen. Deze vrouw vertelde in alle openheid dat ze dat eigenlijk niet durfde. Daarop reageerde de rest van de groep dat ze niet zo gek moest doen en het gewoon moest vragen. Door haar kwetsbaarheid te tonen, deed deze mevrouw belangrijk emotiewerk voor de groep.’
Niemand wil gered worden
Van Loon voegt hieraan toe dat overheden en de samenleving als geheel ook anders naar onderlinge hulp zouden kunnen kijken. ‘Laten we afstappen van het beeld van hulpvragers en -bieders. Iedereen wil een hero zijn, niemand wil gered worden. We romantiseren de hulpgevers. Maar het is heel simpel: we hebben elkaar nu eenmaal nodig.’ Een belangrijke stap om onderling hulp vragen normaler te laten worden, kan het faciliteren van ontmoetingen zijn. Als je wilt dat mensen elkaar helpen, dan moeten ze elkaar eerst kennen. Hoewel mensen liever hulp vragen aan naasten dan aan kennissen, ontstaat het toch vaak als vanzelf in groepen. Het omzien naar elkaar krijgt vorm doordat groepsleden iemand opbellen als die een paar keer niet is geweest en doordat ze vervoer regelen als dat nodig is.
Een plek om te verzuchten
Zowel Hoogenraad als Van Loon benadrukken dat elkaar ontmoeten op zichzelf al van waarde is. De overheid zou die waarde an sich kunnen aangrijpen voor participatiebeleid. ‘Samen Ouder Worden bestaat sinds 2019 en het wordt steeds helderder dat mensen bij elkaar willen komen’, zegt Van Loon. ‘Ze hebben behoefte aan een plek waar ze hun zorgen kunnen delen, ontmoetingen waar ze even zwaar mogen denken, mogen verzuchten. Als er vervolgens als bijvangst ook lichte onderlinge hulp ontstaat, dan is dat mooi meegenomen.’
Basisvoorzieningen
In veel gevallen ontstaan ontmoetingen echter niet organisch, omdat mensen geen ruimte, onvoldoende gelegenheid of een beperkt netwerk hebben. Overheden hoeven lang niet altijd iets nieuws te organiseren, weet Van Loon: ‘Soms volstaat een ruimte, of net wat extra middelen voor een kopje koffie of een activiteit voor een bestaande groep, zodat die kan blijven bestaan.’ Volgens Hoogenraad kan de overheid hier zeker iets in betekenen door buurthuizen open te houden en vervoer te organiseren. ‘Dat zijn basisvoorzieningen die participatie kunnen bevorderen.’
Kartrekker
Een sleutelfiguur of kartrekker van een groep kan volgens de beide gesprekspartners enorm waardevol zijn. Iemand die vooral luistert: wat wil deze groep, wat is voor hen belangrijk? Iemand die wezenlijke onderwerpen bespreekbaar maakt: ‘Door ruimte te bieden aan hen die iets willen delen’, zegt Van Loon, ‘en ook aan wie dat niet wil. Of wie dat liever achteraf in het keukentje een-op-een doet. Kartrekkers laten mensen vrij om in en uit te schuiven, om wel of niet koffie te zetten die dag. Zij kunnen dat vaak ongelooflijk goed aanvoelen. En ze benoemen ieders rol en bijdrage, of iemand nu een taak heeft of niet.’
Intervisiemogelijkheden
Overheden kunnen het belangrijke werk van de kartrekkers ondersteunen, bijvoorbeeld door intervisiemogelijkheden te faciliteren. Hoogenraad benoemt dat de kartrekker van een van ‘haar’ groepen zich zeer gesteund voelde door de middelen vanuit Samen Ouder Worden. Ze sluit af met een inzicht dat ze opdeed tijdens het onderzoek dat tegelijkertijd een compliment is aan Samen Ouder Worden: ‘Jullie werk heeft me laten inzien hoeveel moois er al gebeurt in het land.’