Ik ben geboren in Zeeuws Vlaanderen, pal aan de kust. Mijn ouders kregen er vier kinderen en in mijn herinnering scheen de zon er altijd. Boven de bank in mijn ouderlijke hing een groot schilderij. Mijn vader had het gekocht van de kunstenaar zelf, Jan Baartmans. Het was een schilderij van het oude haventje van Cadzand, vlakbij waar ik ben opgegroeid. Mijn hele leven heb ik ernaar gekeken en ik bouwde er een band mee op. Inmiddels hangt er bij mij thuis ook een Jan Baartmans boven de bank. En niet alleen daar, maar ook op andere plekken in huis. Tot en met onder en achter de bank aan toe. Mijn liefde voor kunst begon thuis en is me altijd bijgebleven….
Mijn vader had de Kweekschool gedaan, maar door de crisis van de jaren 30 werd hij geen leraar maar belastingambtenaar. Voor zijn werk verhuisden we naar de Veluwe. We gingen elke zomer op vakantie naar de kust, maar bleven de zee missen. Mijn vader was thuis niet altijd even makkelijk; ook niet voor zichzelf. Maar als hij ons op een zondag meenam naar Museum Kröller Müller was hij weer als vroeger. Enthousiast vertelde hij over kunst die daar te zien was. En thuis fleurde hij op als de post een nieuw katern van Openbaar Kunstbezit bezorgde of wanneer Pierre Janssen in een nieuwe aflevering van Kunstgrepen op TV enthousiast doceerde over kunst. Ik hield van mijn vader en ben van kunst blijven houden…
Anders dan mijn vader heb ik niet geleerd om voor de klas te staan. Maar desondanks heb mijn hele leven wel les gegeven. De bevlogenheid en het enthousiasme van mijn vader kon ik kwijt in mijn colleges in Wageningen. Vaak ging ik met studenten op stap, ook naar musea. Dan ging het niet over kunst maar over geschiedenis van (landbouw-) wetenschap en technologie. Al die jaren dat ik met studenten musea bezocht keek mijn vader als het ware over mijn schouder mee. Musea en mijn liefde voor mijn vader zijn altijd met elkaar verbonden geweest.
Dat mijn vader er op een gegeven moment niet meer was, daar raakte ik aan gewend. Maar dan ineens zijn je studenten er ook niet meer. En daar moet ik nog steeds aan wennen. Ik heb de rit helemaal vol gemaakt en heb (totdat ik 66 werd) bijna 40 jaar les gegeven. Dan wordt het stil om je heen. Erger: je bent je gehoor kwijt, niemand luistert meer naar je. De wereld hoeft daar niet slechter van te worden, maar zelf lijd je er wel onder. Meteen na mijn pensionering ben ik daarom vrijwilligerswerk gaan. En waar beter kan ik mijn ei kwijt dan in musea. Ik weet: als surveillant of als gastheer is je rol beperkt. Maar hoe heerlijk is het soms als je in gesprek komt men bezoekers en je je passie voor kunst en cultuur weer kunt delen met anderen. En zo je levensverhaal kwijt kunt…
De stelling klopt dat de samenleving instort als vrijwilligers stoppen met hun werk: het is het cement van de maatschappij, de smeerolie van organisaties. Maar het klopt ook dat vrijwilligerswerk goed is voor de vrijwilliger zelf. Ik ben blij met Museum Veluwezoom en ik hoop dat we beiden nog heel lang van elkaar mogen profiteren.

Dit verhaal is gedeeld door Jan Schakel, vrijwilliger bij Museum Veluwezoom.
Museum Veluwezoom in Doorwerth, Gelderland vertelt het verhaal van de Veluwezoom door middel van kunst van de Oosterbeekse School, de eerste kunstenaarskolonie van Nederland en opvolgende kunstkringen. Het museum biedt tentoonstellingen en activiteiten die bezoekers inzicht geven in het landschap, weergegeven door de 19e en 20e-eeuwse ‘en plein air’-schilders.
Dit verhaal valt onder de volgende Sustainable Development Goals (SDG's):